Europa van de burger

In Madrid zijn deze dagen de achttien landen die de Europese grondwet – of eigenlijk: het verdrag tot vaststelling van een Europese grondwet – geratificeerd hebben bij elkaar. Op de agenda staat de vraag hoe de grondwet, die na de referenda in Frankrijk en Nederland op sterven na dood is, weer nieuw leven in te blazen. De duidelijke uitslagen in beide landen hebben geleid tot een pauze van inmiddels twee jaar in de discussie, en een verdeeld Europa – voor zover dat natuurlijk al niet het geval was. Met name Nederland wordt, terecht, verweten wel heel stil te zijn gebleven: vrijwel de gehele politiek was vóór de grondwet, en durft nu niet meer het thema Europa op tafel te leggen, en al zeker niet vanuit een pro-Europese gedachte. Alleen D66 deed nog een dappere poging, maar laten we eerlijk zijn: de verkiezingsuitslag van 22 november heeft die partij gedegradeerd tot een bestaan in de marge van de politiek. Voorlopig althans.

Zowel de voor- als de tegenstemmers weten niet goed wat ze met het verdrag aanmoeten. De indruk bestaat dat men zich in de ‘ja-landen’ vooral ergert aan die lastige Fransen en Nederlanders die het in hun hoofd gehaald hebben tegen te stemmen, en aan de beide regeringen die niet in staat zijn gebleken een ja-campagne te voeren – met name in Nederland. De beste campagne voor de grondwet kwam hier van de Duitse minister van buitenlandse zaken Joschka Fischer, in Buitenhof. Tekenend voor die ergernis zijn de uitlatingen van de Belg Jean-Luc Dehaene.

‘Een referendum is geen goed middel voor besluitvorming. Je krijgt vaak antwoord op van alles en nog wat, maar niet op wat je de burger als vraag voorlegt. Ik weet niet of de Franse en Nederlandse regering in staat zijn die stap te zetten. Maar het zou echt beter zijn als ze niet langer aan deze modegril toegeven.’

Gemakshalve vergeet hij hierbij dat er nog referenda op stapel staan in zes andere landen: Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Polen, Tsjechië, Denemarken en Portugal. Maar los daarvan is dit een geluid dat wel vaker gehoord wordt, en wellicht is er ook iets voor te zeggen. De burger heeft het dagelijks bestuur van het land uitbesteed aan professionele bestuurders en politici, die eens in de vier jaar gemandateerd worden via algemene verkiezingen. Dan wil hij niet tussentijds lastig gevallen worden met (gedetailleerde) kwesties waar de politiek zelf niet uitkomt. Bovendien zal hij vaak niet over de tijd, interesse en expertise beschikken om een goede afweging te maken. Je kunt je voorstellen dat de vraag of de energienetten afgesplitst moeten worden van de energiebedrijven die ze nu nog in beheer hebben, te specialistisch is om aan de kiezer voor te leggen.

Maar Jean-Luc gaat verder dan dit algemene argument tegen referenda an sich:

‘De Europese Unie uitbouwen is een kwestie van leiderschap. We moeten goed beseffen dat we als Unie nooit een muntunie zouden hebben gehad, als bondskanselier Kohl ervoor had gekozen hierover in Duitsland een referendum te organiseren.’ (HFD, 25 januari 2007)

Destijds is door sommigen in Duitsland aangedrongen op een referendum over de invoering van de euro. Ik meen mij te herinneren dat linkse kwelgeest Oskar Lafontaine nog een rechtzaak is begonnen bij het Bundesverfassunggericht in Karlsruhe om de staat tot een referendum te dwingen. Dat referendum is er nooit gekomen en die ene munt wel, maar het is, zoals Dehaene al aangeeft, uiterst twijfelachtig of de euro een referendum in Duitsland – de belangrijkste economie in de Unie – overleefd had. Niet dat de Duitse bevolking de vraag niet begreep, maar men was destijds – laat ik mij  voorzichtig uitdrukken – niet helemaal overtuigd van de voordelen van de eenheidsmunt. Met de hyperinflatie van de jaren twintig nog vers in het geheugen was men nu eenmaal wat huiverig om de harde D-mark en de Bundesbank in te ruilen voor een onzekere munt en een ECB die mede bestuurd zou gaan worden door Fransen, Italianen en Grieken.

Dit is dus een heel ander argument tegen referenda dat Dehaene hier op tafel legt: het is dus best mogelijk een vraag voor te leggen die de burger begrijpt, en waarop hij een antwoord kan formuleren. Maar die burger weet niet goed wat goed voor hem is, hij heeft ‘leiderschap’ nodig. De burger namelijk is van nature conservatief en wil niet mee met het Europese project, hoewel dat overduidelijk goed voor hem is. Laat je de burger een beslissende stem, dan houdt dat de Europese eenwording alleen maar op, en dat is voor niemand goed. – Dan gaat, in de woorden van Brinkhorst, het licht uit.

Daar slaat Jean-Luc, en met hem vele anderen, de plank mis: niet de burger houdt Europa op, politici (eigenlijk bestuurders, wat iets heel anders is) als Dehaene werken de burger tegen, en daarmee de Europese eenwording. Leiderschap volgens Dehaene betekent: burger, gaat u rustig slapen en bemoei u vooral nergens mee, wij zorgen voor u. Leiderschap is volgens mij: een standpunt innemen en daarmee de confrontatie aangaan, mensen overtuigen van. Een debat waarin ieder standpunt gehoord wordt, en de beste ideeën komen bovendrijven. Oftewel: politiek. Europa loopt dood op een gebrek aan politiek, en een schrijnend gebrek aan debat.

Neem de eigen Nederlandse ja-campagne. Van links tot rechts (de beide uitersten uitgezonderd) zijn alle partijen voor de EU, zonder dat daar ooit een goed debat over gevoerd is in de Kamer. Dat hoeft ook niet, iedereen is het met elkaar eens. Maar waarover is men het dan zo eens? Ik mag toch aannemen dat bijvoorbeeld de PvdA een heel ander idee heeft over waar het met Europa naartoe moet, dan de Christunie. En de VVD zal weer heel anders tegenover de EU staan dan Groenlinks. Helaas komen de argumenten zelden verder dan: de EU is goed, want al zestig jaar geen oorlog, en ben je tegen de EU dan ben je een enge nationalist (een euroscepticus!). – En ik maar denken dat scepsis juist een goede eigenschap is…..

Het gebod van John Stuart Mill (zie hieronder) wordt met voeten getreden, en dat vertaalde zich in een merkwaardige campagne rond het grondwetsreferendum. Van de tegenstanders werd ieder argument geslikt. Het waren immers de eerste kritische geluiden in vijftig jaar tijd. Bovendien kwam het weerwoord van de voorstanders niet veel verder dan de al genoemde dreigementen als ‘dan gaat het licht uit’. Men was het argumenteren, en daarmee overtuigen verleerd.

Willen we de EU redden, zullen we de Unie moeten ‘de-bureaucratiseren’: de bestuurders eruit, en de politici erin. Nationale en Europese kandidaten die elkaar bestrijden (i.p.v. EP’ers van VVD en Groenlinks die broederlijk de kiezer bezweren vooral te gaan stemmen – maakt niet uit wat….) omdat ze het met elkaar oneens zijn. Moet Europa een sociaal beleid hebben? En hoe zou dat er dan moeten uitzien? Wat vinden we van alle recente inperkingen van persoonlijke vrijheden en privacy, alles in het kader van terrorismebestrijding? Debat, argumenten, tegengestelde ideeën die zich aan elkaar scherpen. Oftewel: geef inhoud aan die oude slogan: Europa van de burger!

~ door duino op januari 26, 2007.

Reageer