Haatprediker
John Colgan, een tot voor kort vrij obscure Ierse politicus, ‘humanist’ en atheïst. Deze John Colgan heeft zichzelf 15-minutes-of-fame bezorgd door een klacht wegens haatzaaien in te dienen tegen Mgr Boyce, bisschop van Raphoe. De klacht is meer specifiek gericht tegen een homilie die de bisschop uitsprak bij het Mariaheiligdom in Knock. Volgens Colgan gaat het hier om een haatpreek, en is Mgr Boyce daarmee een haatprediker.
Zowel Colgan, Boyce, Knock en Raphoe waren voor mij onbekende namen, en van de bewuste preek had ik al helemaal nooit gehoord – tot dinsdag 31 januari 2012. Mijn dank gaat uit naar John Colgan voor het onder de aandacht brengen van deze homilie die anders onopgemerkt – in ieder geval door mij – was gebleven. En natuurlijk voor het wederom onsterfelijk belachelijk maken van de nieuw-atheïstische beweging.
Om met dat laatste te beginnen: Colgan stoort zich met name aan twee passages. Onderstaande, waarin de bisschop stelt dat de Kerk in zwaar weer verkeert:
‘The moment of history we live through in Ireland at present is certainly a testing one for the Church and for us all. Attacked from the outside by the arrows of a secular and godless culture: rocked from the inside by the sins and crimes of priests and consecrated people, we all feel the temptation to lose confidence. Yet, our trust (in God) is displayed and deepened above all when we are in troubled and stormy waters.’
En ook de volgende paragraaf over de hoop die komt van de kennismaking met God, de hoop die het mogelijk maakt de moeilijkheden van de tijd te dragen – of dat nu het zware weer van de Kerk is, of het normale lijden van ziekte, ongelukken en economische tegenslag:
‘Indeed unless we trust in a higher power, in God himself, what hope can we have? St. Paul told his converts at Ephesus that before they came to know Christ, they were “without hope and without God in the world” (Eph. 2:12). We need the radiance of a hope that looks beyond the horizons of space and time, one as Pope Benedict teaches “that cannot be destroyed even by small-scale failures or by a breakdown in matters of historic importance” (Spe Salvi No. 35). For the distinguishing mark of Christian believers is “the fact that they have a future: it is not that they know the details of what awaits them, but they know in general terms that their life will not end in emptiness….To come to know God – the true God – means to receive hope” (Ibid, No. 2.3). We thank God for the faith, that enables us to trust in Him.’
Waar Colgan zijn oproep tot haat jegens andersdenkenden vandaan haalt is mij een raadsel. Mgr Boyce heeft het in zijn homilie over christenen, over hoe zij kunnen vertrouwen op de Heer, ook tegen de verdrukking in. Juist tegen de verdrukking in, als het tegenzit, kan een christen vertrouwen op God en hopen op zijn hulp. De enige keren dat niet-christenen ter sprake komen, is in het citaat uit de brief van Paulus aan de christenen van Efeze, en bij de vaststelling dat de Kerk onder vuur licht van (o.a.) secularistische (atheïstische) zijde.
Zit daar dan het haatzaaien in? Maar het vaststellen dat de Kerk bekritiseerd wordt in een omgeving die meer en meer seculier is, soms zelfs ronduit anti-christelijk, is niet meer dan het benoemen van de werkelijkheid. Daarbij plaatst de bisschop de huidige moeilijkheden van de Kerk uitdrukkelijk in een historisch perspectief als hij John Henry Newman citeert:
‘But in truth the whole course of Christianity from the first, when we come to examine it, is but one series of troubles and disorders. Every century is like every other, and to those who live in it seems worse than all times before it. (…) meanwhile, thus much of comfort do we gain from what has been hitherto,- not to despond, not to be dismayed, not to be anxious, at the troubles which encompass us. They have ever been; they ever shall be; they are our portion.’ (Via Media I, 354-5)
Dus als Boyce verwijst naar de aanvallen van buiten op de Kerk – naast de aanvallen van binnen overigens – gaat het hem niet om het zware weer nu, want hoge golven zijn van alle tijden. Het gaat er om dat we in die hoge golven mogen hopen op God. ‘They have ever been; they ever shall be; they are our portion.’
En ook in het citaat van Paulus zit weinig om aanstoot aan te nemen zou je zeggen. Dat wie niet gelooft in God, ook niet kan hopen op zijn liefde en rechtvaardigheid is vanzelfsprekend. Bovendien, het vers dat Mgr Boyce aanhaalt wordt direct gevolgd door de verwijzing naar Christus als degene die ‘onbesnedenen’ en ‘besnedenen’ verbindt. ‘Want Hij is onze vrede, Hij die de twee werelden eengemaakt heeft.’ Niet de uitsluitende boodschap die Colgan er wellicht in heeft willen lezen, maar een uitnodiging aan hem en aan anderen die ‘veraf’ zijn om ‘in Christus Jezus dichtbij’ te komen.
Alleen wie leidt aan paranoia in een vergevorderd stadium zou zich bedreigd kunnen voelen door deze homilie, om de Britse serie Yes Prime Minister maar eens te parafraseren. En is dat inderdaad niet wat er aan de hand is, niet alleen met meneer Colgan, maar met de hele nieuw-atheïstische beweging? Lang heeft men gedacht dat religie wel zou verdwijnen in onze moderne westerse samenleving, en uiteindelijk ook in de rest van de wereld. Maar nu deze verwachting niet uitkomt slaat de angst hen om het hart, en voelen zij zich belaagd door iedere manifestatie van religie in de openbare ruimte.
Hoofddoekjes, ambtenaren die moeite hebben met het sluiten van een huwelijk tussen twee mannen of twee vrouwen, het bestaan van christelijke partijen, kerkklokken die luiden voor de mis – alles is een bedreiging voor het radicaal-seculiere wereldbeeld van de moderne atheïst. Vrijheid van godsdienst wordt zo voor hen steeds meer het recht dat zij voor zichzelf opeisen om gevrijwaard te blijven van de confrontatie met gelovigen. Waarmee zij zelf precies zo fundamentalistisch-onverdraagzaam zijn geworden als zij anderen verwijten te zijn.
– Tot zo ver over John Colgan en zijn bijzondere gave dingen te lezen die er niet zijn. De homilie zelf is interessant genoeg om nog even bij stil te staan.
Het thema van de tekst is inderdaad: het vertrouwen dat we mogen hebben in de helpende hand van God. ‘Gezegend is hij die op Jahwe vertrouwt, en zich veilig weet bij Hem. Hij is een boom aan een rivier met wortels tot in het water. Hij heeft geen last van de hitte, zijn bladeren blijven groen. Een tijd van droogte deert hem niet, hij blijft vrucht dragen.’ (Jr.17, 7-8).
Een thema dat in het Evangelie van Matteüs op bijzonder mooie wijze wordt verbeeld in de passage uit hoofdstuk 14, 22-33:
Onmiddellijk hierop dwong Hij zijn leerlingen in de boot te gaan en alvast naar de overkant te varen, terwijl Hij het volk naar huis zou zenden. Toen Hij het volk had weggezonden, ging Hij de berg op om in afzondering te bidden. De avond viel en Hij was daar alleen. De boot was reeds vele stadiën uit de kust en werd geteisterd door de golven, want zij hadden tegenwind. In de vierde nachtwake kwam Hij te voet over het meer naar hen toe. Maar toen de leerlingen Hem zo over het meer zagen gaan, raakten zij van streek omdat zij een spook meenden te zien en zij begonnen van angst te schreeuwen. Maar Jezus zei onmiddellijk tot hen: ‘Weest gerust, Ik ben het. Vreest niet.’ ‘Heer’, antwoordde Petrus, ‘als Gij het zijt, zeg mij dan dat ik over het water naar U toe moet komen.’ Waarop Jezus sprak: ‘Kom!’ Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe. Maar toen hij merkte hoe hevig de wind was, werd hij bang; hij begon te zinken en schreeuwde: ‘Heer, red mij!’ Terstond stak Jezus zijn hand uit en greep hem vast, terwijl Hij tot hem zei: ‘Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?’ Nadat zij in de boot gestapt waren, ging de wind liggen. De inzittenden wierpen zich voor Hem neer en zeiden: ‘Waarlijk, Gij zijt de Zoon van God.’
Jezus reikt hier letterlijk de hand naar Petrus die, ‘kleingelovige’, zich af laat leiden door de hoge golven om hem heen. ‘Vreest niet’, is de boodschap van Jezus aan de leerlingen. Wees niet bang maar vertrouw op Mij. Dat is enerzijds het loslaten van de controle die je denkt te kunnen hebben over je eigen leven, maar het is vooral ook het geschenk om dingen los te kunnen laten, om rust en troost te vinden in het vertrouwen op de liefde en rechtvaardigheid van God. Of zoals Mgr Boyce het zegt:
‘The Lord however has to be met in the midst of the very trials that beset us. We should not so much fight them directly as give them into the Lord’s keeping. In some ways we exchange our weakness for God’s strength.’
Dat is de uitgestoken hand van Christus die de hoge golven om ons heen – in elke tijd – kan bedwingen. En omdat een ander het altijd beter zegt, zeker als die ander paus Benedictus XVI heet:
‘Niet het vermijden van het lijden, niet de vlucht voor het lijden, heelt de mens, maar het vermogen het lijden te aanvaarden, erin te rijpen, er zin in te vinden door de vereniging met Christus, die met een oneindige liefde geleden heeft.’(Spe Salvi 37)
Met dank aan John Colgan – hoewel ik bang ben dat hij het niet zal waarderen.
Op een regenachtige woensdagmorgen
Met dank aan The Catholic Herald hieronder een verslag van de generale audiëntie van paus Benedictus XVI op woensdag 26 oktober.
Pope Benedict XVI has prayed that his interreligious pilgrimage to Assisi will promote dialogue among believers of different faiths and help the world move towards peace.
“In a world still torn by hatred, divisions, selfishness and wars, we want to pray that tomorrow’s meeting in Assisi would promote dialogue among people of different religions,” the Pope said today during a prayer service at the Vatican.
Pope Benedict prayed that the Assisi meeting would help “enlighten the minds and hearts of all men and women so that anger would give way to pardon, division to reconciliation, hatred to love, violence to meekness, so that peace would reign in the world.”
“We ask God for the gift of peace. We want to pray that he make us instruments of his peace,” the Pope said at the Christian prayer service, which was attended by cardinals and bishops, as well as Orthodox and Protestant leaders. Several Muslim representatives also were present.
The prayer service took the place of the Pope’s weekly general audience. About 25,000 people were expected for the service planned for St Peter’s Square, but a storm forced the Vatican to pack the Vatican audience hall to overflowing and to accommodate others in St Peter’s Basilica, where Pope Benedict stopped briefly to give his blessing.
In his homily during the prayer service, Pope Benedict said Christ came to bring peace to the world and his followers have a serious obligation to proclaim his love, salvation and peace to all peoples.
The instrument Christ used to inaugurate his kingdom of peace was the cross, the Pope said. Love, and not weapons, is the key.
Those who want to be true disciples of Christ, he said, also must be ready “to lose their lives for him, so that goodness, love and peace will triumph in the world”.
The Gospel says Jesus sent his disciples out as “lambs among the wolves”, the Pope said. “Christians must never give in to the temptation to become ‘wolves among the wolves’; the kingdom of Christ’s peace is not spread with power, strength or violence, but with self-giving, with love taken to the extreme, even toward one’s enemies.”
Christians must begin by making their own communities “islands of peace” where differences of race, language and economic standing have no importance, he said.
The readings for the prayer service were in English and Italian; the prayer petitions were read in German, Polish, French, Portuguese, Swahili, Arabic, Spanish and Chinese.
The prayers asked God for the gifts “of wisdom and intelligence that make us disciples of truth”, for the strength needed “to discover the paths of true peace”, and for forgiveness for “our pride, for the selfishness and the violence that often accompanies our choices and lifestyles”.
The prayer in Arabic asked God to help Christians treasure the word and example of Jesus and “stay far from war and violence in all its forms”.
Pelgrimeren
Tijdens de vredesbijeenkomst in Assisi afgelopen week vroeg paus Benedictus XVI nadrukkelijk aandacht voor de agnosten, de godzoekers, die dit jaar samen met de religieuze leiders waren uitgenodigd:
“Naast de beide realiteiten van religie en antireligie bestaat er in de groeiende wereld van het agnosticisme nog een andere basisoriëntatie: mensen die weliswaar het geschenk van het kunnen geloven nog niet is gegeven, maar die echter blijven uitzien naar de waarheid, die op zoek zijn naar God. Zulke mensen beweren niet zomaar dat er geen God bestaat. Zij lijden onder Zijn afwezigheid en zijn innerlijk, wanneer zij het waarachtige en het goede zoeken, naar Hem op weg.
Zij zijn ‘pelgrims van de waarheid, pelgrims van vrede’. Zij stellen vragen aan de ene kant en aan de andere. Zij ontnemen de militante atheïsten hun schijnzekerheid waarmee zij menen te weten dat er geen God is en roepen hen op in plaats van strijders zoekers te worden.”
In een wereld waarin geloof geen vanzelfsprekendheid meer is – integendeel zelfs! -, zijn de zoekers een teken van wat ook wel ons ‘religieuze zintuig’ wordt genoemd. Als de samenleving waarin we leven God steeds meer ontkent en Hij afwezig lijkt, dan blijkt de mens God toch nodig te hebben. Dan gaan we zelf op zoek naar Hem, wiens bestaan we al vermoeden. Het aardige is dat dat precies ingaat tegen de vooronderstellingen van de atheïsten – al dan niet militant. Zij hadden tenslotte bedacht dat als de samenleving maar neutraal ingericht is (lees: vrij van godsdienst), het ook snel gedaan zal zijn met die irrationele religieuze folklore. Maar juist in die ‘neutrale’ samenleving blijven mensen zoeken naar zin en betekenis, omat we nu eenmaal niet anders kunnen, omdat we zo gemaakt zijn.
Maar dat zoeken kan niet het einde van het verhaal zijn. Dat zou wel heel postmodern en modieus (want tot niets verplichtend) zijn, maar zoeken om het zoeken – doelloos zoeken – is leeg en onbevredigend. Het kan eigenlijk ook niet, omdat zoeken per definitie niet doelloos is: een zoektocht begint altijd met een vraag, een verlangen naar iets. Vandaar ook denk ik dat de paus het over die zoekers heeft als ‘pelgrims’. Pelgrims die op weg zijn, naar Waarheid, naar Vrede, naar de Liefde.
“Zoekers die de hoop niet opgeven dat de Waarheid bestaat en dat wij naar haar toe kunnen en moeten leven. (…) Zij zoeken naar de Waarheid, naar de werkelijke God, wiens Gelaat in de godsdiensten, op de manier waarop zij niet zelden worden beleefd, veelvoudig bedekt is. (…) Zo is hun worstelen en vragen ook een oproep aan de gelovigen hun geloof te reinigen opdat God, de werkelijke God toegankelijk wordt.”
Je zou kunnen zeggen dat deze agnostische pelgrims niet zo veel verschillen van christenen. Beide zijn we op weg naar God. Alleen hebben sommige pelgrims ergens onderweg iemand ontmoet die al een stukje heeft laten zien van die Waarheid en die de weg ernaartoe wijst. Wellicht is het juist aangekondigde Jaar van het Geloof een mooie gelegenheid om het geloof op te poetsen uit te dragen naar die collega-pelgrims.
Mauro
Teruggekomen van een weekje Rome – zonder krant, tv en internet – kan ik mij alleen maar verbazen over de politieke discussie thuis. Terwijl ons financiële systeem weer eens op instorten staat en alleen met een noodfonds van – voorlopig – 1.000.000.000.000 euro overeind gehouden kan worden, wordt het debat in Den Haag beheerst door één enkele Angolese jongen die al dan niet terug moet naar het land van herkomst.
Verbazing over de media, die tenslotte niet alleen nieuws bengen maar vooral ook nieuws maken. En dat geldt des te meer voor hypes zoals deze Mauro-zaak.
Verbazing over de oppositie, die vergeten is dat een uitzetting slechts het gevolg is van wetgeving waarmee men zelf heeft ingestemd. Die verder vergeten is dat eerdere bewindspersonen zich ook al met deze jongen bezig gehouden hebben, bewindspersonen die nu voor diezelfde oppositie in de Kamer zitten.
Verbazing ook, dat men werkelijk denkt dat het voor een minister gemakkelijker wordt van zijn discretionaire bevoegdheid gebruik te maken naarmate er meer publiciteit is rond een zaak. De ervaring leert juist dat uitzonderingen eerder geregeld worden buiten de schijnwerpers, dan in het volle licht van de politieke discussie.
Maar misschien is die laatste verbazing onterecht. Misschien beseft de nu zo moreel superieure oppositie heel goed dat al deze ophef niet kan leiden tot een verblijfsvergunning voor Mauro. Misschien ziet ze in de jongen niet meer dan een stok om de hond – het CDA en daardoor dit kabinet – mee te slaan. Misschien is Mauro voor hen slechts een middel in een politiek steekspel.
Laten we hopen dat men slechts naïef is, en niet zo bot opportunistisch.
Overigens zij opgemerkt dat ik de ins en outs van Mauro niet ken, en mij dus ook geen oordeel wil aanmeten over de vraag of hij hier zou moeten mogen blijven.
‘U draait en u bent niet eerlijk’, of: hoe je in korte tijd onopvallend van mening kunt veranderen.
D66 is een fatsoenlijke partij, een partij van nette mensen –dat beeld zetten de D66’ers graag neer van zichzelf. Maar D66 is ook een pragmatische en anti-dogmatische partij die op iedere vraag helemaal blanco een nieuw antwoord geeft. En dat leidt wel eens tot verwarring over de standpunten van de partij. Ja, soms wekt men daardoor zelfs de indruk niet helemaal eerlijk te zijn.
Deze week maakte het dagblad Trouw melding van een column verschenen in het gereformeerde blad ‘De Waarheidsvriend’. De schrijver van de column verwijt de links-liberale partijen (met name GroenLinks en D66) een uitgesproken anti-christelijke, ‘christo-fobe’ houding.
Bij Cohen, Sap en Pechtold is het zoeken naar een sympathiek woord over de christenen. Het is naar hun oordeel noodzakelijk dat een vermeende scheefgroei wordt gecorrigeerd: christenen hebben namelijk te veel voorrechten. Om die correctie kracht bij te zetten, is schelden heel normaal. Poldertaliban, achterlijke gereformeerden, pedofielen en weigerambtenaren -dat zijn het, die christenen.
Tegelijkertijd, zo stelt hij, is men opvallend stil als het om de islam gaat: de SGP mag gelinkt worden aan de moordpartij van Anders Breivik, maar natuurlijk hebben moslims in Nederland niets te maken met wat er in bijvoorbeeld Pakistan gebeurt.
Bij Trouw vondt men het een goed idee om deze vermeende christofobie eens voor te leggen aan de betrokken partijen. De ontkenningen die deze vragenronde opleverde zijn noch opzienbarend, noch interessant. Met één uitondering: die van Roy Kramer, fractievoorlichter bij D66:
D66-fractievoorlichter Roy Kramer noemt de verwijten ‘volledig uit de lucht gegrepen’. ‘Wij proberen juist heel nadrukkelijk tolerant te zijn, tegenover moslims én christenen. Kijk maar naar het homohuwelijk. Daarvoor hebben we enthousiast gepleit. Tegelijk laten we ruimte voor gewetensbezwaren.’
Kramer gaat zo ver een voorbeeld te noemen: het homohuwelijk. En daar wordt het interessant. Want waar D66 eerder nog pleitte voor onmiddellijk ontslag voor alle gewetensbezwaarde ambtenaren, ja zelfs woedend was op de minister toen zij in een interview met de Gaykrant liet weten geen enkel probleem te hebben met weigerambtenaren, blijkt men nu 180 graden gedraaid. ‘Tegelijk laten we ruimte voor gewetensbezwaren.’
Zo ga je van ‘verbijsterend’ en ‘onacceptabel’ naar de tolerantie die in bijvoorbeeld Staphorst al veel langer gebruikelijk was: in iedere gemeente kunnen homo’s trouwen, maar tegelijk is er ruimte voor ambtenaren met gewetensbezwaren tegen een huwelijk tussen twee mensen van hetzelfde geslacht.
Maar welke garantie hebben we nu dat het nieuwe standpunt van D66 het werkelijke standpunt is? Draait men morgen niet gewoon weer net zo hard terug naar het onverdraagzame secularistische standpunt, als er in een gemeenteraad gestemd wordt over een Berufsverbot voor de gewetensbezwaarde trouwambtenaar? Is D66 niet uiteindelijk naast christo-foob ook oneerlijk?
Deum de Deo
Vandaag, 2 mei, vieren we de heilige Athanasius van Alexandrië (296-373), bisschop en kerkleraar. Athanasius nam deel aan het Concilie van Nicea (328) waar de bekende geloofsbelijdenis vastgesteld en het arianisme veroordeeld werd. Dit arianisme komt er kort gezegd op neer dat Christus niet zelf God is, maar een schepsel van God. Ook Athanasius bestreed deze dwaalleer en zou dat de rest van zijn leven blijven doen, ook al betekende dat tot vijfmaal toe een verbanning uit zijn stad Alexandrië. Zijn levenslange verdediging van de goddelijke natuur van Jezus Christus, ook tegen de stroom in, maakt Athanasius ook in 2011 nog actueel.
Want dat vergeten we wel eens: Jezus Christus was niet slechts een voorbeeldig mens, een inspirerende leraar die we kunnen navolgen. Jezus is niet een idool tussen andere idolen, inwisselbaar voor Boedha of Mohammed –of desnoods Marco Borsato. Christus is God. We hebben het zondag nog gehoord van de apostel Thomas die, toen hij voor de verrezen Christus stond en zijn handen in zijn wonden legde, zei: “Mijn Heer en mijn God” (Joh. 20, 28). Maar dit is nog steeds, net als 1700 jaar geleden, een inconvenient truth die maar al te graag wordt vervangen door de vrijblijvender variant dat –om die formulering maar te gebruiken –het christendom ook maar een mening is. En dus heeft onze oude kerkleraar sint Athanasius ons ook nu nog wat te vertellen.
Dat is ook een aspect van heiligheid: het voorbeeld dat de heilige biedt aan generaties na hem, zelfs na anderhalf duizend jaar nog. Een heilig is –net als een zalige –niet zonder zonde of vergissingen, maar is wel, door leven en geloof, een tijdloos voorbeeld, en een expliciete verbinding van de tweeduizend jaar oude kerkgeschiedenis met het heden en met de toekomst. Sint Athanasius van Alexandrië leert ons in ieder geval dat het geloof steeds opnieuw en expliciet beleden moet worden: Deum de Deo, consubstantialem Patri!
Na de knien in’t zoer
Het Kerstfeest ligt weer achter ons, het nieuwe jaar kan nu echt beginnen. We mogen weer een heel jaar – aan de hand van Mattheus dit jaar – onderweg gaan van geboorte naar dood en wederopstanding en weer naar geboorte. Bij gelegenheid van dit nieuwe begin – en met dank aan de eerwaarde heer Peeters hieronder delen uit de nieuwjaarswens van de Aartsbisschop van Brussel-Mechelen, mgr Léonard:
Ter gelegenheid van het feest van de Heilige Familie, wens ik u allen een zalig en gelukkig nieuw jaar. En bij het overmaken van deze wensen denk ik allereerst aan uzelf en aan uw gezinnen. U hoorde zo-even hoe de drie lezingen van deze zondag, elk op hun eigen manier, spreken over het gezinsleven en daarbij zowel de schoonheid als de problemen en zelfs de beproevingen onderstrepen. De liefde van man en vrouw en de link tussen hen en hun kinderen en kleinkinderen, is een van de mooiste dingen die er in de wereld bestaan.
Ik nodig ouders en grootouders, die zich zorgen maken over de toekomst van het geloof in het hart van kinderen en kleinkinderen, ook uit om nooit ofte nimmer de moed te verliezen. Vertrouw hen toe aan het hart van God op voorspraak van de heilige Monica. Zij heeft twintig jaar onafgebroken gebeden voor de bekering van haar zoon Augustinus. En hij heeft zich uiteindelijk bekeerd en is een van de grootste theologen van de antieke Latijnse Kerk en een zeer heilige bisschop geworden.
Op dit feest van de Heilige Familie nodigt de Heer u uit om, als u op welke manier ook te kampen hebt met eenzaamheid, die samen met Hem te beleven. Want als de Heer is gestorven in uiterste eenzaamheid, in de steek gelaten door de mensen en schijnbaar zelfs door zijn veelgeliefde Vader, dan is dat om met zijn aanwezigheid bij ons te wonen in al onze eenzaamheid.
Dierbare broeders en zusters, we hebben in ons land een voor de Kerk lastig jaar meegemaakt. Naast heel wat mooie dingen die we samen hebben beleefd – ik denk dan vooral aan mijn pastorale bezoeken in Brussel en aan de vieringen in Vlaams- en Waals-Brabant – was er het brutale uitbreken van het pedofilieschandaal in de schoot zelf van de Kerk en de opeenvolgende mediastormen. In mijn kersthomilieën in Brussel en Mechelen heb ik erover gesproken. Sta me daarom toe u allen een leven in de Kerk toe te wensen, dat voor 2011 in het teken staat van waarheid, transparantie en boetedoening, maar waarin we tegelijk ook de vreugde mogen ervaren van het toebehoren aan Christus en waarin we dankzij Hem mogen leven als Kerk, in gemeenschap en vervuld van hoop die we nergens anders kunnen vinden.
Op de drempel van het nieuwe jaar, vertrouw ik mezelf tot slot toe aan uw gebed en zegen ik u met heel mijn hart.
Een nieuwjaarswens om in het achterhoofd te houden de komende 12 maanden – en daarna. Om te leven in de liefde en genegenheid van en voor de mensen om je heen, steunend op de aanwezigheid van Christus in het dagelijks leven. Niet altijd een gemakkelijke opdracht, maar wel een opdracht, een ideaal, dat het waard is na te streven. Met vallen en opstaan soms, maar dat hoort erbij. En er is altijd die uitgestoken hand om weer op te staan en verder te gaan.
Een overdenking
Voor deze donkere dagen aan het einde van het jaar – of het begin, net welke kalender je kiest – een overdenking van Michelangelo, in vertaling van Rainer Maria Rilke:
Sonett
Schon angelangt ist meines Lebens Fahrt
im schlechten Schiff durch Stürme übers Meer
am Hafen Aller, wo die Wiederkehr
nicht Einem harte Rechenschaft erspart.Da seh ich nun die Phantasie, die oft
als Abgott thronte durch der Künste Gnaden,
wie falsch sie war, von Irrtum überladen,
und was ein jeder, sich zum Nachteil, hofft.Verliebtes Denken, einstens froh und leer,
was ist mirs jetzt vor zweien Toden wert?
Des einen bin ich sicher, einer droht.Malen und Bilden stillt jetzt längst nicht mehr
die Seele, jener Liebe zugekehrt,
die offen uns am Kreuz die Arme bot.
Het Handelsblad en de paus
Het is opvallend hoe twee (nagenoeg) gelijke uitingen van de paus over condoomgebruik in Afrika zulke verschillende reacties teweeg kunnen brengen. Werd Benedictus XVI de vorige keer nog verketterd en beschuldigd van (medeplichtigheid aan) misdaden tegen de menselijkheid, dit keer was lof zijn deel. Het zij zo.
Maar niet overal was lof. Bijvoorbeeld voor NRC Handelsblad was dit slechts aanleiding om de Kerk maar weer eens (indirect) te beschuldigen van (medeplichtigheid aan) massamoord en van structurele onmenselijkheid.
Correspondent Bas Mesters meende het volgende te moeten stellen in een verder niet zo schokkend artikel over het interview met Benedictus:
Nu hij als eerste kerkvorst in de geschiedenis menselijkheid in een boek toont…
Niet iets wat je zou verwachten in een nieuwsbericht in de krant die naar eigen zeggen ‘de nuance zoekt’. En het hoofdredactioneel commentaar over de kwestie is ook al van een bedenkelijk niveau. Vandaar onderstaande brief die ik vanavond verstuurd heb.
L.S.
Het is niet mijn gewoonte in de pen te klimmen bij iedere slordigheid in mijn krant. Maar in uw uitgave van afgelopen maandag vond ik een opmerking waarop ik toch moet reageren.
Het gaat om het artikel van uw correspondent Bas Mesters over de uitlatingen van paus Benedictus XVI over condoomgebruik door risicogroepen. In dit artikel deelt uw correspondent de lezer mee dat deze paus “als eerste kerkvorst in de geschiedenis menselijkheid in een boek toont”. Dat is nogal wat. Van alle bisschoppen die er in de tweeduizend jaar tellende geschiedenis van de Kerk zijn geweest, van alle boeken die deze kerkvorsten hebben geschreven, zou dit de eerste keer zijn dat er iets menselijks in staat. Aldus Bas Mesters. Dat strookt in ieder geval niet met mijn eigen ervaring. De enkele boeken van kerkvorsten die ik zelf gelezen heb, zijn bij uitstek menselijk. Zoals ook de Rooms Katholieke Kerk zelf meer aandacht voor de mens en zijn waardigheid heeft dan menig ander.
Uw correspondent Mesters probeert hier zelfs niet meer een schijn van onafhankelijke journalistiek op te houden, maar draagt op een nogal gemakkelijke manier een antiklerikale (persoonlijke?) mening uit onder de vlag van kwaliteitsjournalistiek. Ik hoop dat u het met mij eens bent dat dit soort opmerkingen niet thuis horen in wat zichzelf graag ziet als een kwaliteitskrant, en ik ga ervan uit dat deze opmerking van Bas Mesters door de eindredactie over het hoofd is gezien. Indien deze zin een bewuste bijdrage is geweest aan “slijpsteen van de geest” NRC Handelsblad hoor ik dat graag van u.
Een tweede stuk dat mij onaangenaam trof deze maandag en dat ik gemakshalve maar meeneem in deze brief, is uw tweede hoofdredactionele commentaar: ‘Benedictus en condoom’. Het lijkt er sterk op dat u uw conclusie al klaar had liggen en daar een redenering omheen heeft gebouwd. Dat die redenering vrij opzichtig rammelt, is voor u blijkbaar niet belangrijk. Om er slechts een paar punten uit te nemen:
1. U stelt dat de paus “tot inkeer” is gekomen. Tegelijkertijd onderkent u dat er in de leer van de Kerk niets veranderd is – dat kan ook niet in een interview. Hoe het dan zit met die “inkeer” blijft onduidelijk.
2. U stelt dat (katholieke) Afrikanen geen condoom gebruiken omdat dat niet mag van het Vaticaan, terwijl zij de leer van Rome op dit gebied verder volledig naast zich neer leggen. Zou het kunnen dat de invloed van het Vaticaan op het seksuele gedrag in Afrika minder ver reikt dan u hoopt?
3. Tot slot uw conclusie dat de katholieke leer over seksualiteit (dat seks thuis hoort in een huwelijk tussen man en vrouw) verantwoordelijk is voor miljoenen aidsslachtoffers. Deze is op zijn zachtst gezegd opmerkelijk.
Bij deze dan ook het vriendelijke verzoek in het vervolg iets meer aandacht te besteden aan uw hoofdredactionele commentaren.
Met vriendelijke groet,
R.F. van Wijk
Vrij Onzinnig
In vervolg op het verslag van de discussie tussen Meijering en Hendrikse wil ik hier wat nader ingaan op de moeilijkheid van de vrijzinnigheid. Laat ik het begrip vrijzinnigheid eerst voorzien van een definitie, dan kan daarover geen misverstand bestaan. Volgens mijn Wolters Woordenboek Nederlands is vrijzinnig zoveel als ‘zonder dogma’s’ en daarmee staat het tegenover ‘dogmatisch’ – inderdaad het ergste scheldwoord in vrijzinnige kringen. Het klinkt heel vrij, zo zonder dogma’s. Zonder vooraf vaststaande zekerheden kan de vrijzinnige in alle vrijheid aan alles twijfelen en zijn eigen weg kiezen, bevrijd van de eeuwenoude ketenen van geloof, traditie, groep en geschiedenis. Maar zo vrij blijkt het toch niet te zijn, omdat we in de praktijk niet zonder dogma’s kunnen – zelfs de vrijzinnigen niet. En onszelf volledig losmaken van de (geloofs)traditie waarin we staan, of van onze sociale groep kunnen we al helemaal niet.
Om met dat laatste te beginnen: in de ideale vrijzinnige wereld zijn wij allen individuen die volledig autonoom en in alle vrijheid beslissen over ons leven. Maar dat het zo niet werkt is evident. Wij hebben ons leven niet gekozen maar ontvangen – van God, of zo je wilt van onze ouders, maar zelf zijn we daar niet aan te pas gekomen. Net zo min hebben wij enige invloed gehad op de plek waar we geboren zijn en op waar en met wie we opgegroeid zijn. Een belangrijk deel van de vormende basis van ons leven met andere woorden is dus al gelegd voordat wij überhaupt geboren worden. Traditie, geschiedenis, taal en sociale omgeving zijn zaken die voor ons een gegeven zijn, en iedere keuze die we maken zal mede bepaald zijn door deze basis. Een mens is eenvoudigweg niet denkbaar zonder zijn inbedding in een sociale omgeving en geschiedenis – en dat geldt ook voor de vrijzinnige mens. Zo autonoom en vrij zijn we dus niet.
Het belangrijkste probleem met de vrijzinnigheid zit hem echter in het ‘zonder dogma’s’. Een dogma laat zich omschrijven als een ‘vaststaande formulering van de waarheid’ (Encyclopedie van de Filosofie, Boom), waarbij dit niet uitsluitend op religieuze dogma’s slaat. Dogmatisme wordt dan ook omschreven (in hetzelfde naslagwerk) als ‘een geesteshouding waarbij vanuit bepaalde grondbegrippen en grondstellingen geredeneerd wordt, zonder deze begrippen en stellingen aan een kennistheoretische kritiek te onderwerpen.’ Anders gezegd: de vrijzinnigheid stelt dat aan alles getwijfeld moet worden en dat niets uit zichzelf waar is – dat dogma’s onmogelijk zijn. Dat is een onhoudbare stelling om een aantal redenen.
Ten eerste zou dit betekenen dat waarheid onmogelijk is – als aan alles getwijfeld kan, nee moet worden, is er geen objectieve maatstaf meer waaraan je dat betwijfelde kunt afmeten. Daarmee is niets en tegelijkertijd alles waar. Als een bepaalde stelling maar in een sluitend systeem van redeneringen wordt ingebed, is die stelling binnen dat systeem geldig en waar. Dat systeem zelf is dan weer niet waar – of liever, het is volstrekt zinloos te spreken over waarheid en geldigheid van zo’n systeem. Vrijzinnigheid is in wezen relativistisch, en de problemen van het relativisme mogen bekend zijn.
In de praktijk blijkt dat ook vrijzinnigen dat bezwaar erkennen en wel degelijk uitgaan van een aantal grondbegrippen en –stellingen, zij het impliciet. Zo beroept D66 – de zelfbenoemde vertegenwoordiger van de vrijzinnigheid in de politiek – zich, inmiddels explicieter dan vroeger, vaak op de liberale uitgangspunten van vrijheid, gelijkheid en broederschap. En binnen het vrijzinnig protestantisme houdt men toch vast aan (een vorm van) het christendom – of in ieder geval aan het bestaan vaan het beruchte ‘iets’. Maar beide zonder volledig afscheid te nemen van hun anti-dogmatische houding. Niettegenstaande deze impliciete dogma’s blijven vrijzinnigen ageren tegen anderen die zich niet schamen voor hun dogma’s, maar erkennen dat zij in hun denken bouwen op een basis van grondbeginselen die – in meer of mindere mate – onaantastbaar zijn.
Zo zijn er twee types vrijzinnigen. De één heeft impliciete dogma’s die hij, onder het mom van neutraliteit, tot standaard wil verheffen. Omdat dit neutrale waarden zijn mag dit ook met al of niet zachte dwang gebeuren. Een voorbeeld is de strijd tegen de SGP: iedereen moet gelijk zijn, dat is vanzelfsprekend en moet door de overheid worden opgelegd aan – in dit geval – vrouwen. Ook als die vrouwen daar niet op zitten te wachten. Kun je dan nooit iets inbrengen tegen andermans (misschien abjecte) overtuigingen? Natuurlijk wel, maar dan in een open debat tussen egalitairen en refo’s, over elkaars waarheden.
De andere vrijzinnige houdt vast aan zijn ondogmatisme en dus relativisme. Maar als hij consequent is ontkomt hij er niet aan zich uiteindelijk in zijn eigen staart te bijten. Want het anti-dogmatisme is een dogma in zichzelf. Als niets van zichzelf uit waar is, is ten minste dát van zichzelf uit waar. Dat klinkt wat flauw, maar het is wezenlijk omdat daar de nare trekjes van de orthodoxe vrijzinnigheid boven komen drijven. Niet alleen vindt de vrijzinnige zelf niets (alles is waar en daarom is niets waar, en vice versa), hij vindt eigenlijk dat alle anderen ook niets zouden moeten vinden. Zij die nog wel een mening hebben, een opvatting over wat waar is, zijn blijven hangen in een op zijn best romantisch verleden. Natuurlijk mag men in principe wel vast blijven houden aan de oude waanbeelden, maar dan wel binnenskamers en alleen. Het openbare leven moet zoveel mogelijk gevrijwaard blijven van de dogma’s van anderen – die confronteren de vrijzinnige maar met zijn eigen leegheid. Uiteindelijk kan de vrijzinnigheid – zeker in haar orthodoxe variant – niet omgaan met de dogma’s van anderen, omdat die dogma’s de vrijzinnige continu uitdagen zelf een stelling te betrekken. En dat wil hij juist perse niet. Tenzij hij erkent dat ook de vrijzinnigheid zelf vertrekt vanuit grondbeginselen die geen nadere onderbouwing behoeven en in die zin niet verschilt van andere levensovertuigingen, kan de vrijzinnige het gesprek over elkaars dogma’s niet aangaan. Maar dan houdt de vrijzinnige op vrijzinnig te zijn.
Uiteindelijk wil de vriijzinnige zichzelf en iedereen vrijmaken tot het ondenkbare uiterste, vrijmaken van alles – zelfs van het mens-zijn.

